Indienen aangifte inkomstenbelasting
De aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013 dient vóór 1 april 2014 te zijn ingediend bij de belastingdienst. Lukt het u niet of heeft u vragen waar u tegenaan loopt bij het invullen van de aangifte? Neem dan contact met ons op. Lukt het u niet om de aangifte voor 1 april 2014 de aangifte in te dienen, vraag dan voor 1 april 2014 uitstel aan bij de belastingdienst.
Vooraf ingevulde aangifte
De belastingdienst biedt u de mogelijkheid om een groot aantal gegevens niet zelf te hoeven invullen, maar dat u deze alleen nog controleert. Dit gebeurt via de zogeheten vooraf ingevulde aangifte. Aan de hand van de vele gegevens die de belastingdienst ontvangt (onder meer van werkgevers omtrent uw loon, de hypotheekverstrekkers omtrent de door u betaalde rente en hoogte van uw hypotheek), wordt de aangifte bij wijze van service al voor u grotendeels ingevuld. Ten opzichte van voorgaande jaren heeft de belastingdienst bij de aangifte 2013 ook de spaarsaldi vooraf ingevuld. Alhoewel het gemakkelijk is dat de belastingdienst deze gegevens alvast heeft ingevuld, moet u ze toch kritisch nakijken. U blijft namelijk verantwoordelijk voor de juistheid van de aangifte!
Het boxensysteem
Voor de inkomstenbelasting is er een onderscheid gemaakt tussen drie soorten inkomen. Ieder soort is gerubriceerd in een box en belast met een eigen tarief:
- Box 1 is voor het belastbaar inkomen uit werk / woning
- Box 2 is voor inkomen uit aanmerkelijk belang
- Box 3 is voor inkomen uit sparen en beleggen
Ieder inkomen kan maar in één box vallen. Het is dus niet mogelijk dat één inkomen in twee boxen tegelijk wordt belast.
Box 1: belastbaar inkomen uit werk / woning
De volgende inkomsten rekent de belastingdienst tot box 1: ontvangen loon, uitkering of pensioen, de behaalde winst uit uw onderneming, de inkomsten die u verdient als gastouder, artiest of beroepssporter, ontvangen fooien en buitenlandse inkomsten. Het merendeel zal met minimaal één van deze categorieen te maken hebben. Andere categorieen zijn de periodieke uitkering (zoals ontvangen alimentatiebedragen of een ontvangen periodieke lijfrente). het eigenwoningforfait en de kapitaalverzekering van de eigen woning.
Deze inkomsten kunnen verminderd worden in box 1 met diverse aftrekposten. Bekende aftrekposten zijn de kosten voor de eigen woning, de reisaftrek voor het openbaar vervoer, uitgaven voor inkomensvoorzieningen (denk bijvoorbeeld aan lijfrenten) en de zogeheten persoongebonden aftrek.
Box 2: inkomen uit een aanmerking belang
De eerste vraag die gesteld zal worden is: wat is een aanmerkelijk belang? De wetgever gaat ervan uit dat u een aanmerkelijk belang heeft als u minimaal 5% hebt van de aandelen in een vennootschap, winstbewijzen van een vennootschap dan wel de genotsrechten hierop. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een binnen- of buitenlandse vennootschap
Hebt u stemrecht in een cooperatie of een verening op cooperatieve grondslag? Dan heeft u ook een aanmerkelijk belang.
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen
Over uw bezittingen dient u belasting te betalen als uw bezittingen een grensbedrag overschrijden. De grens is bepaald op € 21.139 voor alleenstaanden en € 42.278 voor fiscale partners. Alleen als de waarde van uw bezittingen meer is dan dit grensbedrag, betaalt u 1,2% belasting. Dit percentage is als volgt tot stand gekomen: de wetgever is ervan uitgegaan dat u over uw bezittingen een fictief rendement van 4% behaald en belast dit rendement vervolgens met 30%. Zodoende is de belasting 4% * 30% = 1,2%. Dit wordt ook wel de vermogensrendementheffing genoemd.
De laatste jaren is er de nodige kritiek gekomen op het uitgangspunt van het fictieve rendement van 4% op jaarbasis. In de praktijk krijgt namelijk nagenoeg niemand een dergelijk rentepercentage op de spaarrekening.
Bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel was bepaald dat de waarde van de bezittingen werd bepaald door de waarde per 1 januari en de waarde per 31 december bij elkaar op te tellen en vervolgens dit bedrag te delen door 2. Op deze manier werdhet gemiddelde vermogen over het aangiftejaar bepaald. Dit bedrag werd vergeleken met het grensbedrag. Vanaf het jaar 2011 is deze methode gewijzigd en wordt uitsluitend nog gekeken naar de waarde per 1 januari van het aangiftejaar. Voor het aangiftejaar 2013 is dus uitsluitend de waarde van de bezittingen per 1 januari 2013 van belang.
Tot slot is er met ingang van het aangiftejaar 2012 nog een wijziging doorgevoerd ten nadele van de belastingbetaler. Tot en met 2011 werd het grensbedrag opgehoogd met een bedrag per minderjarig kind. Deze verhoging per minderjarig kind is vervallen, waardoor alleenstaanden / fiscale partners met kinderen eerder het grensbedrag behalen. Helaas is ook voor het jaar 2013 deze wijziging van kracht.